Afdrukken

Onderstaande tekst betreft een verwijzing door Hans Stolp in zijn artikel Corona - Ofwel: de strijd om de ziel van de mens, in Verwachting nummer 98 - maart, april, mei 2021.

 Rudolf Steiner en het vaccineren - auteur: René Madeleyn

De praktijk van het vaccineren maakt wezenlijk deel uit van het succesverhaal van de geneeskunde. Het is een uitgesproken doelstelling van de WHO om de pokken en polio wereldwijd uit te roeien en de mazelen in de industriestaten zo ver te reduceren dat het mazelenvirus niet meer circuleert binnen een land. Daarvoor streeft men ernaar dat minstens 95% van de bevolking tweemaal gevaccineerd wordt bij al wie geen natuurlijke immuniteit heeft na doorgemaakte mazelen. Niet alleen tegenstanders van vaccinatie, maar ook vaccinatiecritici valt men in toenemende mate aan als ze ertoe bijdragen dat de gewenste 95% niet bereikt worden bij de mazeleninenting. Afhankelijk van bepaalde risicofactoren moeten ouders over 14 tot 16 vaccinaties beslissen.

Rudolf Steiner heeft zich zeer fundamenteel over intentingen geuit en toonde zich daarbij een meester in het afwegen. Ofschoon hij zelf nooit angst had voor een infectie, lieten hij en Marie Steiner zich inenten tegen de pokken toen in Berlijn in een antroposofische kinderopvang de pokken uitbraken. Ernstige nevenwerkingen nam hij erbij; hij wilde solidair zijn en een voorbeeld, omdat de actuele situatie het eiste.1

In wat volgt, wordt niet over zin en noodzaak van bepaalde inentingen gesproken, maar zal getoond worden hoe Rudolf Steiners houding was ten opzichte van inentingen in het algemeen en wat hij dacht over inenting. Alle inentingen die vandaag worden aanbevolen, waren tijdens het leven van Rudolf Steiner nog niet bestaande.

Ik wil eerst zijn uitspraken over inenten in chronologische volgorde voorstellen.

Op 25 mei 1905 hield Steiner in Berlijn een openbare voordracht2 en sprak hij over de verhouding van de geneeskunde tot de theosofie.

Hij legt in deze voordracht het ideële fundament voor een spirituele geneeskunde die zich bevrijdt van het materialisme van de tegenwoordige wetenschap en die weer moet aanknopen bij de geneeskunde van een Hippokrates in de Oudheid en een Galenus uit de Middeleeuwen.

Een voorbeeld voor wat ik bedoel, hebben we als we kijken naar de hindoes (…). De artsen van de hindoes passen een principe toe dat aan de basis ligt van de immunise-ring, de inenting met een heilserum, zoals we die kennen. Het is het bekampen van een bepaalde ziektevorm doordat de ziekteverwekker zelf gebruikt wordt als geneesmiddel. De hindoe-artsen genezen slangenbeten doordat ze de wonde met hun speeksel bewerken. Door oefening is het speeksel voorbereid. De artsen hebben zichzelf immuun gemaakt voor slangenbeten, tegen slangengif, door slangenbeten op het eigen lichaam. Het is hun opvatting dat de arts ook lijfelijk iets kan bewerken door iets wat hij in zichzelf ontwikkelt. Alle geneeswerking van mens tot mens berust op dit principe. Bij de hindoes ligt aan dit principe een bepaalde inwijding ten gronde.

Het stemt overeen met deze uitvoering van passieve immunisering, maar zo toegepast dat de arts persoonlijk met de krachten werkt waarmee hij zelf de ziekte heeft overwonnen. Hij stelt deze krachten in onbaatzuchtige liefde aan zijn patiënten ter beschikking.

Ofschoon er in 1910 nog geen antroposofische artsen waren, is de in Hamburg gehouden voordrachtencyclus De Openbaringen van het Karma3 eigenlijk een cursus voor artsen. De aanleg tot voornamelijk bepaalde infectieziektes wordt verbonden met feiten en eenzijdigheden in vroegere levens. Door het doormaken van de betreffende ziekte komt een evenwicht tot stand.

Terwijl tegen mazelen en difterie toen nog geen vaccin bestond, was die er reeds verschillende decennia wel tegen pokken.

In de achtste voordracht schetst Rudolf Steiner het karma van een mens die in een vroeger leven liefdeloosheid tegen zijn naaste medemensen ontwikkelde. Deze treedt in een later leven als karmische werking op en schept de dispositie voor de pokken. Zou men door hygiënische maatregelen resp. door de pokkeninenting in de uiterlijke lichamelijkheid de ontvankelijkheid voor de pokken wegnemen, dan zou door spirituele opvoeding op een andere manier het vermogen tot liefhebben in de ziel moeten gewekt worden.

«Als men aan de ene kant hygiëne oefent, moet men anderzijds de verplichting voelen, de mensen wier organisatie men omgevormd heeft, ook iets voor de ziel te geven. Inenting zal geen mens schaden die na de inenting in het latere leven een spirituele opvoeding krijgt.

In de negende voordracht wordt deze redenering nog versterkt. Steiner beklemtoont daarin dat het gevolg van een eenzijdige hygiëne gekoppeld aan een verbetering van de gezondheid zonder compensatie aan de kant van de ziel zou neerkomen op een verschraling van de ziel:

Wie preciezer naar het leven kijkt, kan het vandaag reeds zien. In geen ander tijdperk dan vandaag zijn er zoveel mensen geweest die in zulke aangename uiterlijke omstandigheden leven, maar die tegelijk met zulke schrale, niet actieve zielen rondlopen. De mensen haasten zich van sensatie naar sensatie. Wanneer hun beurs het toelaat, reizen ze vervolgens van stad naar stad om er iets te zien, of, wanneer ze in die stad moeten blijven, haasten ze zich iedere avond van genoegen naar genoegen. Zulke zielen blijven echter juist daarom toch schraal, ze weten tenslotte niet meer wat ze moeten opzoeken in de wereld om nog een inhoud te vinden. Met name wordt door een leven van alleen uiterlijke, fysiek aangename toestanden de hang ontwikkeld om alleen over het fysieke na te denken. En als die neiging om zich met het fysieke bezig te houden, niet reeds lang aanwezig was, dan was ook de neiging tot theoretisch materialisme niet zo sterk zijn geworden als dat in onze tijd het geval is. Op die manier lijden de zielen meer, terwijl het uiterlijke leven gezonder wordt gemaakt.

Deze zinnen kunnen ons zeer tot nadenken stemmen als we onze goed ingeënte welvaartsculturen vergelijken met die van ontwikkelingslanden. Ze tonen immers in alle duidelijkheid in welke richting de evolutie van onze samenleving tendeert.

Een verruiming krijgt het begrip inenting bij Rudolf Steiner in drie voordrachten van het jaar 1917.4 Deze voordrachten zijn, zoals andere voordrachten gehouden uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog, zeer indringend van stijl.

In elk van deze drie voordrachten wijst hij naar een bijzondere manier van inenting, vergelijkbaar met een inenting tegen een ziekte, waarmee bij kinderen de neiging tot het geestelijke wordt uitgedreven. In de voordracht van 20 mei 19174 gaat Rudolf Steiner uit van het concilie van Constantinopel van 869. Zoals het toen de bedoeling was de geest af te schaffen (tegenover de ziel en het lichaam), zo gaat het er nu en in de toekomst om, vanuit het na-tuur-wetenschappelijke monisme, de ziel af te schaffen.

… En het zal komen – denk niet dat het een grap is! – dat de ziel afgeschaft wordt. Aan de verschillende geneesmiddelen, aan de lichamelijke geneesmiddelen, die er vandaag zijn, zal een reeks andere toegevoegd worden die de bedoeling hebben om diegenen te behandelen die over zoiets geveinsd als geest en ziel spreken. Die zal men behandelen, die zal men geneesmiddelen geven opdat zij niet meer spreken van geest en ziel. De geest kon men gewoon afschaffen, de ziel zal men alleen bij de mens kunnen uitdrijven doordat men het lichaam geneeskundig juist behandelt. Zo grotesk als dat vandaag ook moge klinken, de tendens gaat in die richting dat men middelen zal bedenken, allerlei spul waarmee men een kind inent waardoor zijn lijfelijke organisatie zo naar beneden toe afgezwakt wordt dat de materialistische gezindheid goed in hem leeft. Het komt er helemaal niet op aan, de oude idee van ziel en geest te behandelen als iets anders dan louter als iets waarin enkel de oude tijden geloofd hebben. Die oude tijden worden een groot vermaak om naar terug te blikken!

Op 27 oktober 19175 spreekt Steiner over de strijd van Michael tegen de draak, tegen de geesten van de duisternis. Zij die onder de mensen werken nadat ze na de overwinning van Michael in de herfst van 1879, op de aarde geworpen werden. Ze willen met materiële middelen ervoor strijden dat materialistische gezindheid zich voor altijd zal uitbreiden. Ze willen mensen inspireren zodat ze vaccins vinden om uit de zielen reeds van in hun vroegste jeugd via de omweg van de lichamelijkheid de hang naar spiritualiteit uit te drijven. Zoals men vandaag de lichamen inent tegen dit en dat, zo zal men in de toekomst kinderen met een stof inenten die zonder twijfel kan geproduceerd worden, zodat mensen door deze inenting beveiligd zijn tegen het feit dat ze de dwaasheden van het spirituele leven uit zichzelf zouden ontwikkelen.

Een beetje later volgt een passage waarin het vaccin tegen tuberculose, het zogenoemde BCG-vaccin6, vermeld wordt:

Zoals de geneeskunde uit tuberculose de impulsen gehaald heeft om tegen tuberculose vandaag een vaccin te hebben, zo zal men inenten tegen de aanleg tot spiritualiteit.7

Hier is opmerkelijk dat Rudolf Steiner voorzag wat de grootste ooit doorgevoerde veldstudie over de werkzaamheid van deze inenting bevestigde.8 Gepubliceerd in 1979stelde ze vast: de ontbrekende effectiviteit van de inenting met bedenkelijke gevolgen en vele éénduidig aan de inenting toe te schrijven sterfgevallen. Reeds in de loop van Rudolf Steiners leven was een vaccin tegen tuberculose ontwikkeld en in omloop gebracht.

Nog vandaag wordt in vele landen tegen tuberculose ingeënt, terwijl de Duitse overheid op de voorhanden studies gereageerd heeft (zij het relatief laat) en generlei indicatie meer ziet voor deze inenting, ook niet bij mogelijk contact met tuberculosepatiënten.

In de laatste voordracht van 6 november 191710 spreekt Steiner over de negatieve werkingen van gestorven mensen die door geweld om het leven kwamen (aan de hand van het voorbeeld van de Indische roofmoordenaarsbende, de ‘Thugs’). Die werkingen leiden ertoe dat bepaalde geheimen te vroeg tot werkzaamheid komen, tot onheil van de wereld. Er wordt verwezen naar de beheersing van bepaalde aspecten van de menselijke voortplanting, van verschillende ziektes en van het intreden van de dood. Weer culmineerde de voordracht in een uitspraak dat door bepaalde vaccinmiddelen het menselijk lichaam beïnvloed wordt:

Men zal de mensen tegen de aanleg voor geestelijke ideeën inenten.

Raadselachtig blijft hier welk concreet soort vaccin werkelijk bedoeld is. Even eigenaardig verschijnen de drievoudige veroorzakers van de effecten die zulke vaccins beogen.

Ten eerste zijn dat wetenschappers die als monisten geen autonoom leven toestaan aan ziel en geest. Vervolgens de door Michael op de aarde geworpen geesten van de duisternis, diegenen die wij als ahrimanische wezens kunnen aanzien. Tenslotte de gestorven zielen van mensen die vermoord werden door misdadige manipulaties van bepaalde groepen en hun werkzaamheid.

In de vele vanaf 1920 voor artsen gehouden voordrachten duikt enkel in een vragenbeantwoording van 22 april 1924 een uitweiding over inenten op.11

Steiner beschrijft vooreerst de pokken zo dat de mens daarbij iets gelijkaardigs doormaakt als bij een initiatie. Hij knoopt aan bij de beschrijving van de pokken in de voordracht van 8 januari 1924 uit de zogenaamde Jungmedizinerkurs (cursus voor jonge artsen).12 Degene die ziek is van de pokken maakt organisch iets mee wat overeenstemt met de geestelijke belevenis van de imaginatie van de dierenriem. Tegen de besmetting beschermt, aldus Steiner, het moedige, zuiver objectieve waarnemen van de zieke die lijdt aan de pokken. Er volgt dan een biografische tussenkomst: Rudolf Steiner is nooit de ontmoeting met een besmettelijke zieke uit de weg gegaan en is daarbij door zijn innerlijke houding echter ook nooit besmet.

Daarna gaat Steiner in op de inenting. Opnieuw herinnert hij aan het motief van de spirituele opvoeding als bescherming tegen de schadelijke werkingen van de inenting. Die bescherming is er niet bij mensen die opgroeien met een voorkeur voor materialistische gedachten:

Daar wordt het inenten een soort ahrimanische kracht: de mens kan zich niet meer optillen uit een bepaald materialistisch voelen, hij wordt constitutioneel materialistisch, hij kan zich niet meer verheffen tot het geestelijke.

Als een soort vervangmiddel bij zichzelf voor de pokkeninenting kan het, aldus Steiner, even goed werken dat men een bewustzijn ontwikkelt van de ziekte als van een “ongerechtvaardigd geestelijk iets, waartegen ik mij moet staande houden.” Op de vraag hoe men moet handelen wanneer men in een streek woont waar een dergelijke spirituele opvoeding niet mogelijk is, antwoordt hij:

Daar moet je dan inenten. Er blijft niets anders over. Want de fanatieke opstelling tegen deze dingen is iets wat ik niet om medische, maar om algemeen antroposofische redenen helemaal niet zou aanraden. De fanatieke opstelling tegen deze dingen is niet wat we nastreven, maar we willen door inzicht de dingen globaal veranderen. Ik heb dat altijd als ik met artsen bevriend was beschouwd als iets wat je moet bestrijden, bij voorbeeld bij dr. Asch, die absoluut niet inentte. Ik heb dat altijd bestreden. Want als hij niet inent, dan ent iemand anders in. Het is volstrekt zinloos je zo in detail fanatiek op te stellen.

Wanneer we nu proberen de rode draad te vinden tussen deze zes plaatsen in zijn voordrachten, dan past de eerste niet echt in de rij omdat het daar niet gaat om een profylactische inenting, maar om een genezing van een slangenbeet door passieve immunisering. Wezenlijk is daarbij dat de arts de ziekte die hij heelt, zelf doorgemaakt moet hebben en dat deze overwinning van de ziekte tot helende liefdeskrachten leidt.

Alle latere citaten brengen het inenten in verband met ahrimanisch-materialistische impulsen.

Of in de drie voordrachten van het jaar 1917 vaccins bedoeld zijn in de betekenis die we vandaag kennen, moet openblijven. Men zou ook kunnen denken aan iedere vorm van ‘massa-profylaxe’, meer bepaald in overdreven en soms zelfs excessieve dosissen zoals bij een niet-fysiologisch hoog gedoseerde toediening van vitamine D of vitamine K. Beide substanties spelen een sleutelrol in de calciumstofwisseling – zonder hen zouden we geen vast skelet hebben. Wij kunnen deze rangschikken onder de werkzaamheid van ahrimanische wezens.

De antroposofische kinderarts Wilhelm zur Linden nam bij kinderen die vitamine D in de vorm van een shocktherapie met Viganol hadden gekregen, een voortijdige verharding waar tot in de uitdrukking van de ziel.

In deze context geeft het echter ook te denken dat, ondanks de globaal gezien verheugende toename van het geven van borstvoeding als voeding voor zuigelingen, de poedermelkproducten grotendeels de bereiding van vers voedsel in de babytijd hebben verdrongen. De stoffen die ze bevatten, worden bij de bereiding uit hun levendige natuurlijke samenhang verwijderd. In dit ‘sterfproces’ bij de bereiding kunnen we eveneens ‘ver-ahrimaniserende’ krachten zien en we vermoeden waarom Rudolf Steiner de zuivere moedermelkvoeding in de eerste levenstijd van de zuigeling zo belangrijk vond.

We kunnen in Midden-Europa vandaag tegen meer dan 16 infectieziektes actief inenten. Dit wil zeggen: we verhinderen de ‘luciferisch’ gekleurde zijde van de ziektes die oplossen (‘auflösen’). Daar wij in de antroposofische geneeskunde gezondheid zien als een evenwicht tussen polaire ziektetendensen, moeten we ermee rekenen dat we de weegschaal in de richting van de ‘ahrimanisch’ gekleurde ziekten verschuiven, dus in de richting van de sklerotiserende ziektes en de kwaadaardige tumoren.

Op het niveau van ziel en geest kunnen we dit op die plaatsen ervaren waar in onze cultuur het effect van de inenting juist niet door een spirituele opvoeding gecompenseerd wordt. Verheugend in de tegengestelde richting is dat koorts in toenemende mate en ook volgens een groot aantal studies, gezien wordt als zinvolle en noodzakelijke reactie van het organisme om met infectieziektes af te rekenen. Koorts ondersteunt oplossende, ‘luciferische’ impulsen en dat blijken verbouwingsprocessen van het kinderlijke lichaam te zijn. Ook de omvattende impuls van de Waldorfpedagogie (Steinerpedagogie) bevordert de spirituele opvoeding, het stimuleren van het fantasievolle spel, de kunstzinnige activiteit, in het bijzonder door middel van de euritmie, de toepassing in de pedagogie van het inzicht in het ritme van zevensjaarsperiodes, maar ook de ontwikkeling van levendige, groeiende begrippen in plaats van het doorgeven van louter intellectuele kennis.

Tenslotte kunnen we in de gestadig groeiende mediaconsumptie een middel zien om op het kind in te werken in de zin zoals Rudolf Steiner in het in verband met het vaccinatieprobleem beschreef. Ook hier is het de beslissende opdracht van de antroposofische menskunde, overeenkomstige tegen-tendensen te bevorderen.

Als artsen zijn we voor de opdracht geplaatst om vanuit dit weten, zonder ons ‘fanatiek’ tegen publieke inentingen te keren, een afwegende houding tegenover iedere inenting te ontwikkelen, ook als het gaat om het voorkomen van epidemies (massa-profylaxe).

(René Madeleyn is arts in de (antroposofische) Filderklinik in Duitsland.

Dit artikel verscheen in Heft 89 van de Medizinisch-Pädagogische Konferenz,

August 2019, p. 16. Vertaler: Wilbert Lambrechts.

We danken dr. Madeleyn voor zijn toestemming om deze vertaling te publiceren.)

 

Noten

1.         Naar een niet gepubliceerd manuscript van Hedda Hummel: Erlebnisse mit Rudolf Steiner, geciteerd in: Wolfgang Vögele, Sie Mensch von einem Mensen! Rudolf Steiner in Anekdoten, Basel, 2012, p. 45.

2.         Steiner, Rudolf, Ursprung und Ziel des Menschen, GA 53. Dornach, 1981.

3.         Steiner, Rudolf, Die Offenbarungen des Karma, GA 120, Dornach, 1992.

4.         Steiner, Rudolf, Mitteleuropa zwischen Ost und West, GA 174a, Dornach, 1982.

5.         Steiner, Rudolf, Die spirituellen Hintergründe der äusseren Welt. Der Sturz der Geister der Finster-nis, GA 177, Dornach, 1977.

6.         Noot van de vertaler: Steiner kan in 1917 het BCG-vaccin nog niet gekend hebben, want dat werd pas vanaf 1921 gebruikt.

7.         Noot van de vertaler: Rudolf Steiner maakt hier een onvertaalbaar calembours. Tuberculose heet in het Duits ook Schwindsucht, wat als de neiging tot dwangmatig willen verdwijnen vertaald kan worden. Rudolf Steiner noemt het echter eerst, vooraleer zich te verbeteren (alsof hij zich versprak): Schwindelsucht. Schwindel is bedrog en Sucht is ook een woord voor verslaving, dus de omschrijving luidt dan: de dwangmatige neiging tot bedrog).

8.         Noot van Luc Vandecasteele: die mislukking geldt enkel voor BCG. Andere vaccins werkengoed en veroorzaken nauwelijks sterfgevallen.

9.         The Lancet, January 12, 1980, p. 73-74.

10.       Steiner, Rudolf, Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen, GA 178, Dornach, 1992.

11.       Steiner, Rudolf, Physiologisch-Therapeutisches auf Grundlage der Geisteswissenschaft. Zur Therapie und Hygiene, GA 314, Dornach, 2010.

12.       Steiner, Rudolf, Meditative Betrachtungen und Anleitungen zur Vertiefung der Heilkunst, GA 316, Dornach, 2009.

Categorie: Corona-Journaal Hans Stolp