Toen we nog een kind waren, leefde de liefde
in onze ziel en in ons hart. Het was de liefde die ons
vol verrukking liet kijken naar het glanzende schild
van een kever die op het blad zat van een beuken-
haag, of naar de eendenkuikens die achter hun
moeder aan waggelden. De liefde kleurde de blik
waarmee we naar de wereld om ons heen keken.
Door haar kracht voelden we aan wat de ouderen
om ons heen bezig hield: we voelden de angsten van
onze moeder of de verborgen teleurstelling van onze
vader. Met de magische kracht van de liefde die ieder
kind eigen is, probeerden we de angsten van onze
moeder mee te dragen en de teleurstelling van onze
vader te verzachten: kinderen doen dat intuïtief.
Maar toen we ouder werden en het gevoel kregen
niet gezien en niet gerespecteerd te worden, sloten
we ons hart af: we verhardden ons, zodat we de pijn
van de eenzaamheid en de afwijzing niet zouden
voelen. Zo werden we volwassen: als mensen die
door hun zelfbescherming eenzaam werden. Maar
omdat we het als jongvolwassene zo druk hadden,
voelden we de eenzaamheid niet, evenmin als
de knagende pijn in onze ziel die erom vroeg
om toegelaten, erkend en losgelaten te worden.
Pas toen het leven pijn ging doen en ziekte, verlies
en tegenslag – van onszelf of van onze geliefden –
steeds dieper doorwerkten in onze ziel, hielden we
eindelijk stil en begonnen als vanzelf naar binnen
te kijken. Toen kwam de oude pijn onstuitbaar
naar boven. Verwarring en tranen brachten ons stap
voor stap tot zelfinzicht en hielpen ons los te laten.
Toen, toen de muur om ons hart gevallen was,
ervoeren we hoe er geleidelijk een nieuwe kracht
in onze ziel geboren werd: die van de ware liefde,
die onvoorwaardelijk is en agapè wordt genoemd.
Het was deze liefde die ons tot een ander mens maakte:
een diepe vrede vervulde ons en maakte ons gelukkig.
We verloren de angst voor de dood, net als die
voor de eenzaamheid, omdat de liefde ons verbond
met de geestelijke wereld. Zo werden we dwars door
alles heen de mens van liefde zoals God ons bedoelde
Han Stolp
