Verslag van een Themadag over grote esoterische geheimen
Deel I
Zarathoestra is de grote ingewijde die met zijn inzichten
en inspiratie de tweede na-Atlantische cultuur,
de oud-Perzische cultuur van ongeveer 5000 v. Chr
tot 3000 v. Chr. mogelijk maakte.
Eerder al, in Atlantis, was hij de grote dienaar van
de Zonnegod in de belangrijkste mysterieplaats van die tijd.
In Perzië leidde hij de aandacht van ‘zijn’ mensen op de
aarde: Blijf niet vol heimwee naar de hemel staren, maar
aanvaard de verantwoordelijkheid voor de aarde en het
aardse leven.
Daarbij maakte hij duidelijk dat er op aarde een strijd
gaande is tussen Ahriman, de god van het donker, en
Ahoera Mazda, de god van het licht.
Daarom, vertelde hij, moesten de mensen zich verbinden
met Ahoera Mazda en zijn dienaar moesten worden om
hem te helpen in zijn strijd tegen Ahriman.
Beslissend was vooral een bijzondere waarneming die
hij deed: hij zag hoe de Zonnegod de zon had verlaten
en op weg was naar de aarde.
Eens, zei Zarathoestra, zal de Zonnegod op aarde afdalen,
daar geboren worden en de mens tot een beslissende
hulp worden.
Wanneer men al deze gegevens overziet, wordt duidelijk
dat Zarathoestra vanaf het begin de grote dienaar van
de Zonnegod was.
Begrijpelijk dat hij ook een belangrijke taak vervulde toen
de Zonnegod, de Christus, zich later in de mens Jezus
belichaamde en zo op aarde werkzaam werd.
Hij was er ook bij toen de Christus na zijn opstanding,
en voor zijn Hemelvaart, veertig dagen lang de grote
esoterische geheimen aan zijn leerlingen doorgaf.
Gedurende die veertig dagen werd het esoterische
christendom geboren.
En Zarathoestra?
Hij werd de sleutelbewaarder van deze geheimen.
Elke eeuw daalt hij naar de aarde af om aan een nieuwe
incarnatie te beginnen. En elke keer wekt hij in stilte de
harten van die mensen die er aan toe zijn de geheimen
van het esoterische christendom in zich op te nemen.
Maar toen had hij inmiddels allang zijn nieuwe naam
Meester Jezus gekregen. Waarom hij deze nieuwe naam
kreeg, leg ik op deze dag uit.
Kortom: stevige stof, maar het gaat hierbij wel om
de essentie van het esoterische christendom!
Ik verheug me er zeer op deze inzichten
met jullie te mogen delen!
Deel II
Meester Jezus, de Heraut van Christus
Duizelingwekkend oud is hij, zo oud als de mensheid zelf.
Leven na leven daalde hij af naar de aarde en deed er
aardse wijsheid, kennis en inzicht op. Zo werd hij een der
grootste der mensen, een oneindig rijpe geest die innerlijk
sterk en tot grote offers in staat was.
Hij was het die als eerste de komst van de Christus naar
de aarde mocht aankondigen. Zie, Hij komt, zei hij, en als
de Zonnegeest zelf de aarde als zijn woning kiest, dan
moeten wijde aarde serieus nemen en leren bewerken.
Duizenden jaren later mocht hij meewerken om een
lichaam en een ziel gereed te maken, waarin de Christus
zich zou kunnen belichamen.
Hij was het Jezuskind wiens geboorte beschreven staat
in het Evangelie van Mattheus: het koningskind in wie de
grootse wijsheid van Zarathoestra leefde.
Toen hij twaalf jaar oud was, verliet hij lichaam en ziel en
verenigde zich met het wezen van het andere Jezuskind,
wiens geboorte beschreven wordt in het Evangelie van
Lukas. Aan dit kind stond hij al de wijsheid af die hij in
vele incarnaties verworven had.
Dit kind was immers een volkomen zuivere ziel die nooit
eerder op aarde geleefd had en daarom niet over aardse
wijsheid en kennis beschikte.
Zo kon de Christus later in dit mensenkind incarneren.
Na zijn dood aan het kruis en na zijn opstanding
verscheen de Christus veertig dagen lang aan zijn
discipelen en legde hen alle grote geheimen uit.
Bij die gesprekken was ook Zarathoestra aanwezig,
Hij nam alles wat Christus vertelde heel bewust in zich
op en werd daardoor de Hoeder van die indrukwekkende
geheimen.
Ook kreeg hij een nieuwe naam: Meester Jezus.
Sindsdien kwam hij steeds weer naar de aarde om die
geheimen, en daarmee het esoterisch christendom,
te behoeden.
Speciaal in deze tijd is hij werkzaam, nu het esoterisch
christendom vanuit de verborgenheid in de openbaarheid
treedt om het zodoende alle mensen mogelijk te maken
zich van die geheimen bewust te worden en een wetende
te worden in wie Christus leeft.
En iedereen die zich met deze geheimen verbindt, staat hij
als inspirator terzijde. Ook jou, nu jij dit leest.
Vooraf:
Meester Jezus begeleidt ons op de inwijdingsweg van het
voelen, zodat wij tot een voelend weten komen.
Meester Christian Rosenkreutz wijdt ons daarentegen stap
voor stap in de geheimen van het esoterische christendom
in via het denken ofwel via studie. Beide aspecten zijn nodig.
Waarschijnlijk is het veelzeggend dat Meester Christian
Rosenkreutz in esoterische kringen veel meer bekendheid
geniet dan Meester Jezus: de nadruk ligt tegenwoordig
meer op het logische, rationele denken, dan op het creatieve,
speelse en bewogen denken. We hebben Meester Jezus dus
hard nodig om tot een nieuw, enthousiast denken te komen!
Inleiding
Van Zarathoestra, de latere Meester Jezus,
wordt het volgende gezegd:
• Hij is één van de grootste der mensen;
• Hij is één van de weinigen, die zo ver gevorderd zijn
in hun ontwikkeling;
• Hij bezit een grote spirituele kennis;
• Hij beschikt over een hoge mate van helderziendheid;
• Hij beschikt over een oneindig rijpe geest;
• Hij is in talloze incarnaties steeds wijzer geworden;
• Hij was (en is) tot de grootste offers in staat;
• Hij bezit een bijzonder krachtige ziel;
• Hij was de leermeester van Pythagoras;
• Hij baande in 6000 v. Chr. al de weg voor de Christus
naar de aarde, en
• Hij sprak op grootse wijze over hem.
Meester Jezus is dus een heel bijzonder mens.
Het lijkt dan ook uiterst zinvol om wat langer bij hem
stil te staan. Maar hoe komen we aan de kennis over hem? Wanneer we namelijk op zoek gaan naar gegevens over
het werk van Meester Jezus en de andere Meesters, zul je
daarover weinig of niets kunnen vinden in de ‘gewone’
geschiedschrijving.
De werkzaamheid van de Meesters speelde, en speelt, zich
bijna altijd in het verborgene af, zowel het vele werk dat zij
op aarde verricht hebben en nog steeds verrichten, als wat
zij vanuit de geestelijke wereld deden en nog steeds doen).
Om iets van hun werkzaamheid op het spoor te komen,
moeten we dus leren kijken ‘tot voorbij de sluier’, ofwel tot
voorbij de buitenkant van de dingen.
In de Bijbel wordt ‘de sluier’ ook wel de voorhang of het voorhangsel genoemd.
Dat voorhangsel speelt een belangrijke rol bij het sterven
van Jezus Christus aan het kruis. In Mattheus 27:50,51
lezen we: Jezus riep wederom met luide stem en gaf de
geest. En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van
boven tot beneden in tweeën. Het is wel heel opvallend:
direct nadat de evangelist verteld heeft over het sterven
van Jezus Christus, vertelt hij hoe het voorhangsel in de
tempel scheurde. Dat moet dus wel een diepe betekenis
hebben. Welke betekenis?
Als Jezus Christus sterft aan het kruis, wordt de Christus
op aarde geboren: eindelijk is Hij, door de dood heen,
in het lichaam en de ziel van Jezus van Nazareth tot een
aardse kracht ongevormd.
Vanaf dat moment kan de Christus hier op aarde gaan
inwerken op de zielen van de mensen:
• eerst op het hart en de ziel van zijn leerlingen,
• dan op de harten en de zielen van de ingewijden, zoals
Christian Rosenkreutz en zijn leerlingen en de Katharen,
• en tenslotte op de harten en de zielen van alle mensen.
Christus reikt hen daarbij hun hoger Zelf
Zichzelf)
aan; daardoor kunnen zij het vermogen ontwikkelen om
te kijken tot voorbij de sluier.
Er is dus een direct verband tussen de kruisdood van
Jezus Christus en de helderziende vermogens die in deze
tijd in steeds meer mensen ontwaken en die hen in staat
stellen om waar te nemen wat er achter de sluier verborgen
ligt.
Na de Opstanding heeft de Christus zijn leerlingen,
de apostelen, veertig dagen lang inzicht gegeven in de
geheimen van Jezus Christus, ofwel in de Christusmysteriën.
Handelingen 1:2,3 vertelt (en ik citeer een gedeelte van een
lange zin): …de apostelen … aan wie Hij zich ook na zijn
lijden met vele kentekenen heeft vertoond, veertig dagen
lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.
De leerlingen waren dus de eersten die gedurende die zo bijzondere veertig dagen tussen Pasen en Hemelvaart voorbij
de buitenkant (de sluier) mochten kijken en die de verborgen geheimen van het Koninkrijk Gods
de Christusmysteriën)
te horen kregen.
In de eeuwen die volgden kregen ook de ingewijden inzicht
daarin: denk aan de mystici, zoals Tauler, aan Christian
Rosenkreutz en zijn leerlingen, maar bijvoorbeeld ook aan de Katharen.
Sinds 1899, het einde van het IJzeren Tijdperk of Kali Yuga,
mag echter ieder mens kennis nemen van die grote geheimen.
Heel deze zo bijzondere ontwikkeling begon dus bij de
veertig dagen tussen Pasen en Hemelvaart.
Het zijn de dagen die het geboorteuur vormen van het
esoterische christendom. Want in die dagen schonk de
Christus zijn leerlingen de inzichten die tot op de dag van
vandaag in de kring van het esoterische christendom worden behoed.
Deel III
De twaalf Meesters van de Witte Loge
Meester Jezus is een van de twaalf Meesters die samen
de Witte Loge vormen.
Vroeger, in de voorchristelijke tijd, heette hij Zarathoestra,
Meester Zarathoestra. Maar 2000 jaar geleden was hij na de
Opstanding van de Christus aanwezig bij de gesprekken die
de Christus tussen Pasen en Hemelvaart hield met zijn
leerlingen. Daardoor kreeg hij een heel intens, diep inzicht in
de geheimen van Jezus Christus, ofwel de Christusmysteriën.
Hij was namelijk de enige die volbewust daarbij aanwezig was:
de leerlingen verkeerden in een soort trance, een soort hoger bewustzijn, en pas met Pinksteren zouden de geheimen die
ze te horen kregen neerdalen tot in hun aardse bewustzijn.
Door deze inzichten werd Zarathoestra een ander mens.
Daarom kreeg hij ook een nieuwe naam: Meester Jezus.
Een naam drukt immers het wezen van iemand uit, en omdat
hij een heel nieuw wezen geworden was, moest hij ook een
nieuwe naam krijgen.
Hij is een Meester. Dat wil zeggen: een mens die een grootse,
geestelijke ontwikkeling gedurende zijn vele aardse levens
heeft doorgemaakt en zodoende een Meester werd.
Een Meester wordt daarom ook wel de oudere broeder van
de mensheid genoemd.
Zoals gezegd, Meester Jezus maakt deel uit van de Witte Loge:
een kring van twaalf Meesters die zich hebben verbonden met Christus en zijn Mysteriën en die in zijn dienst staan.
Van die twaalf werken er zeven, door regelmatig te incarneren,
op aarde aan de ontwikkeling van de mensheid.
Ze zijn met name actief in de cultuurperiode waarvoor zij een bepaalde verantwoordelijkheid dragen. Zo is Meester Jezus
met name verantwoordelijk voor de vierde cultuurperiode,
747 v. Chr –1413 na Chr. en, samen met Meester Christian Rosenkreutz, voor de huidige, ofwel de vijfde cultuurperiode
(1413 – 3 573 na Chr.
De overige vijf Meesters zijn niet op aarde werkzaam, maar
werken actief vanuit de geestelijke wereld aan de ontwikkeling
van de mensheid.
De zeven Meesters die regelmatig incarneren zijn de volgende:
• Meester Morya en Meester Kuthumi:
zij zijn de Meesters van het Oosten.
• Meester Jezus en Meester Christian Rosenkreutz:
zij zijn de Meesters van het Westen.
• Meester Hilarion en de Venetiaanse Meester:
zij zijn de Meesters van het Midden.
• De naam van de zevende Meester is onbekend.
Volgens Judith von Halle is dat Rudolf Steiner.
Sergej Prokofieff noemt hem overigens ook wel een
Bodhisattva.
2. Wat doen de Meesters?
• De Meesters van de Witte Loge weten dat de toekomst
van de mensheid afhangt van de vraag, of de mensen
inzicht zullen krijgen in de mysteriën van Christus, en of
zij zich vanuit dat inzicht in liefde met Hem, en daardoor
dus met hun eigen hoger Zelf, verbinden willen.
• Zij zijn de hoeders van het Goddelijke Plan op aarde.
Als zodanig geven zij leiding aan de ontwikkelingen van de
aarde en de mensheid. Op die manier zorgen zij ervoor dat
het Goddelijke Plan op aarde ook daadwerkelijk wordt
gerealiseerd. Maar ze werken wel in stilte, onopvallend,
achter de coulissen.
• Zij ontwikkelen ook het plan voor de volgende incarnatie
van Moeder Aarde: Jupiter.
Terzijde: het is belangrijk om ons te realiseren dat alles wat wij
doen en laten een directe invloed heeft op dat plan:
de Meesters verwerken dat in hun planning, ofwel hun ‘bouwtekening’ van Jupiter. De Meesters werken in stilte,
in het verborgene. Maar op die regel is in onze tijd één uitzondering: Rudolf Steiner. Hij bracht het offer om niet in
stilte te werken, maar in de volle openbaarheid. En wel, omdat
nu heel de mensheid, en niet alleen de ingewijden), een stap moeten zetten naar een dieper inzicht.
3. Rudolf Steiner en zijn ontmoeting met de Meesters
Rudolf Steiner heeft verteld dat twee Meesters;
de twee Meesters van het Westen, hem in het bijzonder hebben gesteund en op beslissende momenten raad gegeven. Hij was daarover echter uiterst terughoudend en heeft er slechts heel weinig over verteld. Maar wat wij onder meer weten is dit:
• Marie Steiner vertelde dat ze een paar keer Meester Christian
Rosenkreutz in de kamer zag zitten, tegenover Rudolf
Steiner. Maar ze had niemand binnengelaten …
• Rudolf Steiner heeft zelf verteld dat hij in 1902, toen hem
gevraagd werd voorzitter te worden van de zojuist
opgerichte Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging,
van een Meester de dringende impuls kreeg om daarop in
te gaan. Had hij die impuls niet gekregen, vertelde hij, dan
zou hij alleen maar filosofische boeken geschreven hebben
en geen esoterische.
• Rudolf Steiner kon als kind en jongeman met niemand over
zijn helderziende of geestelijke ervaringen spreken.
Maar toen hij student was, ontmoette hij, waarschijnlijk als spoorstudent in de trein, een kruidenzoeker: Felix Koguzki.
Deze man had geen enkele opleiding, maar was vertrouwd
met de geest van de natuur en dus ook met de natuurwezens.
Bij hem kon Rudolf Steiner zijn hart uitspreken.
Deze ontmoeting met Felix was de voorbode van zijn
ontmoeting met de Meester die vervolgens op zijn weg komt.
We weten niet wie deze Meester was: Rudolf Steiner noemt zijn naam niet. Hij vertelt alleen: Qua beroep was die buitengewone man even onaanzienlijk als Felix. Velen vermoeden dat het
hierbij ging om Meester Jezus. Deze gaf hem aanwijzingen hoe
hij kon omgaan met zijn helderziende ervaringen.
• Een enkele keer werden de Meesters ook waargenomen
door zijn leerlingen. Zo vertelde Andrej Belyj dat hij aanwezig
was bij de lezing die Rudolf Steiner in 1913 in Oslo gaf over
het Vijfde Evangelie. Belyj vertelde:
Gedurende de voordracht stond Rudolf Steiner niet meer op
het podium, maar hij stond beneden, in de zaal, tussen
zijn leerlingen. En op het podium stond een hoger wezen:
de leraar van alle grote leraren! Ita Wegman vertelde dat
deze leraar niemand anders was dan Meester Jezus.
Ook nu, in onze tijd, staat Meester Jezus al diegenen bij die
in het openbaar opkomen voor de Mysteriën van de Christus,
hij wijdt hen in en helpt hen bij het vervullen van hun opdracht.
4. Nagelaten sporen van Meester Jezus
We kunnen ook sporen van de werkzaamheid van Meester
Jezus terugvinden in de ‘gewone’ geschiedschrijving. In het
midden van de 19e eeuw, kort voor 1850, werden in Straatsburg
in een voormalig Johannieterklooster oude brieven en
geschriften gevonden. Ze waren ruim 500 jaar oud: geschreven
in het jaar 1382. Dat was het jaar waarin de stichter van het klooster, Rulman Merswin, was gestorven.
Omdat deze geschriften zo oud waren, hielden ze velen bezig.
De brieven en geschriften waren van een bijzondere vriend van Rulman Merswin, wiens naam we niet kennen. Zijn vrienden noemden hem de Godsvriend van Oberland. Merswin had de brieven en geschriften van deze Godsvriend zijn leven lang bewaard. En toen hij in 1382 stierf, vonden zijn leerlingen die brieven en geschriften zo kostbaar, dat ze die overgeschreven hebben om ze te bewaren voor de toekomst.
Maar wie was nu toch die geheimzinnige vriend, de Godsvriend
uit Oberland? Dat was Meester Jezus. Door onderzoek is er het
een en ander over deze Godsvriend bekend geworden.
Zie ook het artikel op internet van Jos Mosmuller:
De Godsvrienden uit het Oberland.
Hij werd in 1317 in Bazel geboren en was de zoon van een rijke
koopman en diens vrouw. Zijn ouders overleden toen hij 19 jaar oud was. Sindsdien leidde hij van de erfenis een vrolijk leven, samen met een vriend die uit een adellijke familie kwam.
In 1343 werd hij verliefd op een jonkvrouw en kreeg uiteindelijk toestemming om met haar te trouwen. Die toestemming was moeilijk te verkrijgen, omdat zij van adel was en hij niet.
Op de avond voor het huwelijk deed hij zijn avondgebed voor
het kruisbeeld. Toen gebeurde er iets bijzonders: de gestalte aan het kruis boog zich naar hem toe en zei: Sta op, laat de wereld, neem je kruis op en volg mij. Daarop ging hij naar zijn
aanstaande vrouw om de relatie te verbreken. Zijn verloofde
begon te huilen en vroeg: Mijn geliefde, heb ik je iets misdaan
dat je me verlaten wilt? Hij begon ook te huilen en antwoordde: Nee, mijn geliefde, maar ik heb me gegeven aan een vrouw die
nog edeler en rijker is dan jij en dat is de Moeder Gods.
Zijn verloofde antwoordde daarop: Als jij de Moeder Gods
gekozen hebt, dan wil ik haar Zoon nemen. Toen gaf ze
hem haar sieraden en deed net als hij afstand van de wereld.
Op een dag riep een innerlijke stem hem om naar Straatsburg
te gaan en daar de kathedraal te bezoeken. Daar hoorde hij een dominicaner monnik preken in een overvolle kerk. De monnik heette Johannes Tauler. Na een aantal keren de kerk bezocht
te hebben, ging de Godsvriend biechten bij Tauler en zei hem,
wat hij van diens preken vond: Ze laten me koud, ze doen me
niets, er zit geen vuur in. Daarop raakte hij in gesprek met
Tauler. Deze nam uiteindelijk, op aanraden van de Godsvriend,
een jaar vrij voor bezinning. Na dat jaar keerde hij terug als een ander mens en werd de grote mysticus, zoals wij hem kennen.
Op dezelfde manier, door een innerlijke stem, werd de
Godsvriend ook gestuurd naar Rulman Merswin. Deze had een inwijding gehad en allerlei geestelijke ervaringen opgedaan,
en had nu een leraar nodig die hem zou helpen te begrijpen.
Zo kwam het dat er tussen die twee een briefwisseling ontstond
en dat Merswin bij zijn dood een paar geschriften van de Godsvriend in zijn bezit had, die door zijn leerlingen zorgvuldig werden overgeschreven om ze voor de toekomst te bewaren.
Deel IV
Meester Jezus wordt ingewijd door de Manu
We zagen tot nu toe dat er maar heel weinig sporen in de openbaarheid zijn gevonden van de werkzaamheid van
Meester Jezus. Maar als we toch meer willen weten over
hem, hoe komen we dan aan die kennis?
Die hebben we gekregen van Rudolf Steiner die kon
schouwen in de geestelijke wereld, met name ook in de Akashakroniek. (Besef wel: zijn schouwende vermogen
was veel krachtiger en verdergaand dan dat van welke
andere helderziende dan ook.) Bij verschillende lezingen
maakte Rudolf Steiner, vaak terloops, korte opmerkingen
over Meester Jezus.
Onlangs verscheen er, postuum, een boek van Sergej
Prokofieff: Rudolf Steiner und die Meister des esoterischen Christentums. In dat boek heeft hij ook een aantal pagina’s
gewijd aan Meester Jezus. Daarin zet hij de gegevens van
Rudolf Steiner op een rij, zodat een overzichtelijk beeld van Meester Jezus ontstaat.
Allereerst moeten we teruggaan naar Lemurië: het tijdperk
dat aan Atlantis voorafging. In die tijd verhardden de fysieke lichamen van de mens zich: ze werden geleidelijk houtachtig
en onbuigzaam. Daardoor weken steeds meer zielen uit naar andere planeten om daar te leven, in plaats van te incarneren
op aarde. Ze gingen bijvoorbeeld naar Saturnus, Venus,
Jupiter of Mars. Het gevolg was dat er op aarde steeds
minder mensen overbleven.
Op het laatst lukte het nog één mensenpaar om de barre omstandigheden op aarde te verdragen. Zij worden in de
Bijbel Adam en Eva genoemd.
Pas later, toen de omstandigheden op aarde geleidelijk beter werden, keerden steeds meer uitgewekenen terug: met name
in de laatste fase van Lemurië en de eerste periode van het
daarop volgende tijdperk Atlantis. Daardoor ontstonden er
op Atlantis verschillende heiligdommen of orakels: dat van
Mars bijvoorbeeld, Jupiter, Venus of Saturnus.
Deze waren bedoeld voor de uitgewekenen die terugkeerden,
om vorming en opleiding in hun eigen sfeer te kunnen geven.
Het belangrijkste heiligdom of orakel was het Zonne-orakel.
Dat was bestemd voor de mensen die het meest leken op het
oer paar: Adam en Eva. Tot hen behoorde Zarathoestra: hij
was dus een directe nakomeling van Adam en Eva, of leek
sterk op h en. Aan het hoofd van dit orakel stond de Manu,
die in de Bijbel Noach wordt genoemd. Hij was de grote
zonne-ingewijde, de grootste ingewijde van heel Atlantis.
Hij was verantwoordelijk voor hele tijdperken, zoals Lemurië,
Atlantis en het na-Atlantische Tijdperk, waarin we nu leven,
en wijdde degenen in die in de zeven na-Atlantische cultuurperioden de leiding over die periode zouden krijgen.
Tot hen behoorden de Rishi’s, Zarathoestra, Boeddha,
Christian Rosenkreutz en Meester Skythianos.
Zarathoestra was een van zijn belangrijkste leerlingen, zo
niet de belangrijkste. Hij werd ingewijd in de geheimen van
de Zon en de Zonnegeest, ofwel de geheimen van de
kosmische Christus.
Hij kreeg later, in het na-Atlantische Tijdperk, een bijzondere
taak. Hij moest in de tweede na-Atlantische cultuurperiode
de mensen leren de aarde serieus te nemen en die niet te ontvluchten, maar zich bewust te worden hoe de Geest in en
door de materie heen werkt. Daardoor richtte hij de aandacht
van de mensen op de uiterlijke wereld. Maar hoe ging dat in
zijn werk en wanneer gebeurde dat eigenlijk?
6. De oud-Perzische cultuurperiode
Omstreeks 10.000 v. Chr. ging het grote continent Atlantis
ten onder. Daarna begon, na een tijd van overgang en wederopbouw door de overlevenden in Europa en Azië, de
eerste van de zeven, na-Atlantische cultuurperioden: de oer-Indische cultuurperiode.
Deze duurde van ongeveer 7000 v. Chr. – 5000 v. Chr. en
stond onder leiding van de Rishi’s, de grote ingewijden die in Atlantis door de Manu waren voorbereid op deze taak en door
hem waren ingewijd. Kenmerkend voor deze periode was het heimwee: heimwee naar Atlantis, naar de verloren gegane Atlantische kennis en naar de levende verbinding met de geestelijke wereld die toen nog mogelijk was.
Zarathoestra, de latere Meester Jezus, incarneerde in die
periode zeven maal. In de laatste van die zeven levens was hij
blind: hij moest zich afsluiten voor de oude kennis en het
heimwee en zich voorbereiden op zijn komende opdracht in
de volgende cultuurperiode.
Ook hij was in Atlantis door de Manu ingewijd en kon op
grond van deze krachten de leider worden van de volgende cultuurperiode: de oud-Perzische cultuurperiode die van
ongeveer 5000 v. Chr. duurde tot 3000 v. Chr. Hij werd, dankzij
de inwijdingskrachten van Manu, de eerste mens die in aardse begrippen begon te denken. In de Rishi’s leefde nog de oude Atlantische of hemelse kennis, maar Zarathoestra was in staat
die kennis in menselijke woorden en begrippen uit te drukken. Daarnaast richtte hij zijn aandacht, en die van zijn mensen
niet langer eenzijdig op de geestelijke wereld, maar meer en
meer ook op de aardse wereld. Dat betekende een gigantische
stap vooruit in de ontwikkeling van de mensheid.
Met Zarathoestra begon er dus iets heel nieuws:
met zijn onderwijs en inzichten legde hij de basis voor de
huidige westerse beschaving. De manier waarop wij in onze
tijd leven hebben wij in wezen te danken aan Zarathoestra,
de latere Meester Jezus.
Hij legde zijn mensen met name de opgave voor om de aarde,
en dus de materie – om te vormen. Om hen daarbij te helpen,
gaf hij hen inzicht in de krachten van licht en donker die hier
op aarde achter de coulissen werkzaam zijn. Het donker,
vertelde hij, bestond niet alleen uit de wereld van Lucifer, die
al in Lemurië actief geworden was en daar was begonnen op
de mensen in te werke nmaar ook uit de wereld van Ahriman,
die in Atlantis actief geworden was en steeds krachtiger op
de mensen zou gaan inwerken. Het licht daarentegen bestond
uit de krachten van Ahoera Mazdao, de Zonnegeest, in wie de Christus zich later ‘bezielen’ zou.
Zarathoestra stichtte in Perzië mysteriescholen waar de
geheimen van Ahoera Mazdao centraal stonden: zijn leerlingen werden niet alleen in de geheimen van het licht, het goede en
het schone ingewijd, maar ook in die van het donker. Ook wees
hij hen op de komst van de Zonnegeest, ofwel de Christus,
naar de aarde en vertelde hen dat deze komst de centrale, allesbeslissende gebeurtenis zou zijn van heel de menselijke
ontwikkeling op aarde.
In een latere incarnatie koos hij twee leerlingen uit die een
speciale inwijding kregen als voorbereiding op de taak die zij
in een volgend leven zouden moeten vervullen.
De eerste was de latere Hermes Trismegistos, de stichter van
de derde na-Atlantische, ofwel de Egyptische cultuur.
In dat leven mocht hij beschikken over het astrale lichaam
van Zarathoestra. De ander was degene die later zou
terugkeren als Mozes, de leider en wetgever van het Joodse
volk.
Hij kreeg in dat volgende leven de beschikking over het
etherische lichaam van Zarathoestra, waardoor hij de goddelijke geboden en voorschriften in menselijke woorden, de
Tien Geboden, kon doorgeven. Ook in deze tweede
cultuurperiode, de oud-Perzische cultuurperiode, kende Zarathoestra verschillende, verder onbekende incarnaties.
Omstreeks 600 v. Chr. was hij opnieuw geïncarneerd.
In dat leven heette hij Zarathas en was hij de inwijder van de bekende wiskundige Pythagoras. Door deze inwijding was het Pythagoras mogelijk in een volgend leven terug te keren als
een van de drie Wijzen uit het Oosten uit het Kerstverhaal.
De naam Zarathoestra of Zoroaster betekent gouden ster.
Hoe veelzeggend is het dat Pythagoras in dat volgende leven
als een van de Wijzen uit het Oosten naar Israël werd geleid
door een ster!
Deel V
Zarathoestra keert terug als het Jezuskind
De belangrijkste incarnatie van Zarathoestra was die aan
het begin van onze jaartelling. In bijna al zijn levens tot
dan toe had hij gewezen op de komst van de Christus naar
de aarde en zijn incarnatie of menswording. Ook had hij op
allerlei manieren bijgedragen aan de voorbereiding van dat
grootse gebeuren.
Maar nu, in dit nieuwe leven omstreeks het begin van de
jaartelling, mocht hij heel concreet bijdragen aan de vorming
van een lichaam en een ziel die sterk genoeg zouden zijn om
de grootse Christusenergieën te verdragen die werkzaam
zouden worden als de Zonnegeest zich in een mens
belichaamde. Want besef wel: geen enkel mens was sterk
genoeg om die ontzagwekkende energieën te verdragen.
iedereen zou meteen sterven, zodra de Zonnegeest in hem
of haar zijn intrek nam.
En dus had de geestelijke wereld eeuwen en eeuwen aan voorbereidingstijd nodig gehad om een mens geboren
te laten worden die wel daartoe in staat zou zijn.
Het belangrijkste probleem daarbij was dit: enerzijds
moest de mens in wie de Zonnegeest zich zou belichamen,
volkomen puur, smetteloos en zuiver zijn. Wanneer dat niet
het geval was, zou die mens meteen onder de volmaakte Christusenergieën verschroeien en bezwijken.
Dat betekent dat de Christusdrager (of Christofoor) een
mens moest zijn die nooit eerder op aarde geleefd had,
want alleen dan zou hij smetteloos en zonder karma zijn.
Maar anderzijds moest hij een mens zijn die met zijn beide
benen stevig op de grond zou staan en een aards
zelfbewustzijn kende, en die aardse wijsheid en inzicht
verworven had.
Dat had de Christusdrager nodig om staande te blijven
wanneer die grootse energieën in, en door hem heen
werkzaam zouden worden.
Daarom waren er twee mensen nodig om met hun
vereende krachten samen die ene mens te vormen die in
staat zou zijn om Christusdrager te worden.
De eerste mens was het Jezuskind over wie het Evangelie
van Mattheus vertelt. De andere mens was het Jezuskind
over wie het Lukasevangelie vertelt.
Het kind uit het Mattheusevangelie was de opnieuw
geïncarneerde Zarathoestra, de hoogst ontwikkelde mens
die in zijn vele levens aardse kracht, aardse wijsheid en
aards inzicht verworven had.
De andere mens was het Hoger Zelf van Adam:
het oorspronkelijke wezen van Adam dat, zeg maar: als
oerbeeld, was achtergebleven in de geestelijke wereld toen
Adam zelf was begonnen aan de afdaling naar de aarde en
de reeks van levens die hem daar te wachten stonden.
Maar hoe konden die twee zo verschillende mensen hun
krachten bundelen en samen laten vloeien?
Dat kon door twee grootse en indrukwekkende offers
die Zarathoestra (het Jezuskind uit Mattheus) bracht.
Het eerste offer bracht hij op 12-jarige leeftijd:
toen maakte hij zich los van zijn fysieke, etherische en
astrale lichaam (die kort daarna stierven) en verbond
zich met het andere Jezuskind, het smetteloze en
karmavrije Hoger Zelf van Adam.
Van diens twaalfde tot diens dertigste jaar bewoonde
Zarathoestra vervolgens dit lichaam en deze ziel en
schonk geleidelijk alle aardse krachten die hij in zijn
vele incarnaties had verworven aan dit mensenkind.
Toen hij tenslotte al deze krachten had weggegeven,
verliet hij deze Jezus op diens dertigste jaar weer,
vlak voordat deze gedoopt zou worden in de Jordaan
en voordat de kosmische Christus of de Zonnegeest
zich daarbij in hem zou belichamen.
Dat was zijn tweede offer.
Dat bestond vooral daarin, dat hij niet op aarde aanwezig
was toen de Christus incarneerde en drie jaar lang leefde
en werkte op aarde. En dat, nadat hij zovele levens had
doorgebracht met het aankondigen van diens komst naar
de aarde.
We mogen dan ook zeggen dat niemand zoveel heeft gedaan
om de incarnatie van de Christus mogelijk te maken als Zarathoestra. Zijn offers roepen de diepste eerbied op.
Toen hij vlak voor de Doop in de Jordaan Jezus verlaten had
en de geestelijke wereld was binnengegaan, verbond hij zich
daar met zijn etherische lichaam dat hij op twaalfjarige leeftijd
had achtergelaten, toen hij zich verenigd had met het andere Jezuskind.
Door zijn bijzondere krachten was dit etherische lichaam niet opgelost, maar intact gebleven. Daarom kon Zarathoestra nu
vanuit de etherische wereld meeleven met het aardse leven
en werken van Jezus Christus.
Daardoor werd hij de belangrijkste getuige van de Mysteriën
van Jezus Christus en kon hij waarnemen hoe deze in het
Boek des Levens, ofwel de Akashakroniek werden ingeschreven. Het was overigens deze kroniek waaruit Rudolf Steiner later zijn inzichten putte voor zijn voordrachten over het Vijfde Evangelie.
Door zijn beide offers werd hij niet alleen de belangrijkste
getuige van de Akashakroniek, en wel van dat gedeelte waarin
de Mysteriën van de Christus worden bewaard, maar werd hij
ook de Hoeder, Beschermer en Drager van de Mysteriën van de Christus, zoals die in de Akashakroniek ingeschreven staan.
8. De veertig dagen tussen de Opstanding en de Hemelvaart
Tussen de Opstanding op Pasen en Hemelvaart hield de
Christus veertig dagen lang intensieve gesprekken met zijn leerlingen.
De discipelen namen daarbij de Christus met een droomachtig,
helderziend bewustzijn waar: ze hadden door alles wat er was gebeurd een bepaalde mate van helderziendheid verworven.
Dat hadden ze ook nodig: de Christus had immers geen
gewoon fysiek lichaam meer, maar een Opstandingslichaam,
ofwel een vergeestelijkt fysiek lichaam, waarmee hij door
gesloten deuren naar binnen kon gaan en dat alleen door een helderziend bewustzijn waar te nemen was.
Let wel: het wezen van dit Opstandingslichaam is een van de
moeilijkst te begrijpen inzichten van het esoterische christendom.
Maar Meester Jezus zal ons in de toekomst helpen
om ook dit inzicht te doorgronden.
Pas op het Pinksterfeest konden de leerlingen de vele
geheimen die de Christus hen in deze veertig dagen uitlegde,
ook met hun aardse bewustzijn begrijpen: toen werden ze wetenden!
Ook Zarathoestra was bij die gesprekken aanwezig, en wel in
de etherische wereld van waaruit hij het Opstandingslichaam
van de Christus heel direct waarnemen en beleven kon. Bij die
gesprekken gebeurde iets heel bijzonders: de aardse wijsheid,
kracht en inzichten die hij tussen zijn twaalfde en dertigste jaar
aan het (andere) Jezuskind had afgestaan, kreeg hij nu op een
nieuwe manier terug: omgevormd, verchristelijkt, en bezien
vanuit de allesbeslissende gebeurtenis op aarde: het leven en sterven van de Christus op aarde.
Met name kreeg hij diepgaande inzichten in het geheim van
het Opstandingslichaam, dat ieder mens eens, in de verre toekomst, zal mogen ontvangen.
Door deze nieuwe inzichten werd Zarathoestra een heel ander,
nieuw mens. In hem leefden nu immers de Christusmysteriën.
Daarom kreeg hij ook een nieuwe naam: een naam drukt
immers iemands diepste wezen uit.
De naam die hij nu kreeg, luidde: Meester Jezus.
9. De hulp van Meester Jezus
Sinds die zo bijzondere incarnatie keert Meester Jezus elke
eeuw naar de aarde terug om het ontluiken van het esoterische
christendom te leiden en te ondersteunen. Daarbij doet hij het
volgende:
• Hij helpt alle mensen die de Mysteriën van de Christus
willen begrijpen.
• Hij is de Inspirator van de mensen die willen begrijpen
hoe het christendom zich stap voor stap ontwikkelt.
Bijvoorbeeld hoe in deze tijd de vrije beweging van
het esoterische christendom geleidelijk de plaats zal
gaan innemen van het instituut kerk.
• Binnen de esoterische scholen helpt hij alle leraren die
hun leerlingen inzicht willen geven in de Mysteriën
van Christus.
• Ook staat hij achter alle leiders en leraren van het
christendom en probeert hen steeds weer bewust
te maken van de diepere geheimen van de Christus.
Daarbij werkt hij nauw samen met Meester Christian
Rosenkreutz en Meester Rudolf Steiner, de beide andere
Meesters van het esoterische christendom.
10. En hoe ging het verder?
In de ontwikkeling van het esoterische christendom kunnen
we drie fasen onderscheiden:
Meester Jezus is zowel de grote Inspirator van de discipelen
na Pinksteren, als van de Kerkvaders. Hij inspireerde hen, gaf
hen moed en inzicht.
Vanaf de 15e eeuw treedt Meester Christian Rosenkreutz naar
voren. Hij werd in 1459 door de Manu ingewijd en helpt zijn
leerlingen om het esoterische christendom denkend te
begrijpen. Meester Jezus staat hem daarbij terzijde.
In de 19e eeuw treedt Meester Rudolf Steiner naar voren.
Hij wil dat de mensen het esoterische christendom nu op een nieuwe manier leren begrijpen: met een creatief, intuïtief en
een hoger, voelend denken. Zowel Meester Jezus als Meester Christian Rosenkreutz staan hem daarbij terzijde.
Voor onze tijd is het belangrijk ons bewust te zijn dat Meester
Jezus ons inzicht wil geven in goed en kwaad, ofwel licht
en donker. Lang geleden al, als Zarathoestra, gaf hij de mensen inzicht in licht en donker, ofwel in Luicifer en Ahriman enerzijds,
en Ahoera Mazdao anderzijds. Maar nu, als Meester Jezus, is dit inzicht voor hem nog belangrijker: de incarnatie van Ahriman is aanstaande en de mensen zullen deze ‘storm van het duister’
alleen overleven, als zij de verbinding vinden met de Mysteriën
van de Christus. Meer dan ooit is hij in deze tijd de Heraut van
de Christus, die inmiddels al is verschenen in de etherische
wereld.
Samenvattend: citaat van Sergej Prokofieff uit zijn boek:
‘De kringloop van het jaar als weg tot de etherische Christus’
blz. 240.
Sedert de oudste tijden, sedert het oud-perzische cultuurtijdperk, ja, zelfs sedert de tijd van Atlantis, is Zarathoestra de grote
dienaar van de Zonnegeest, Christus. Op deze dienende weg, tijdens zijn talrijke incarnaties, vergaarde hij zich waarlijke onmetelijke schatten aan hoogste inwijdingswijsheid.
Deze werden vervolgens door hem in het Keerpunt der Tijden
aan de voorbereiding van Christus’ afdaling naar de aarde
geofferd, doordat hij heel deze wijsheid in de loop van
achttien jaar aan de nathanische Jezus, het Lukaskind,
overdroeg.
Dankzij dit hoogste offer, dat met het verlaten van de
omhulsels van Jezus vlak voor de doop in de Jordaan zijn hoogtepunt bereikte, kreeg Zarathoestra de mogelijkheid
om vanuit de aangrenzende sfeer van de geestelijke wereld
getuige van het Mysterie van Golgotha te zijn.
Vervolgens kon hij, nadat hij zich met het omgevormde etherlichaam van de salomonische Jezus had verenigd,
op bovenzinnelijke wijze rechtstreeks aan de veertig-dagen gesprekken deelnemen …
Tegelijk was dit ook het begin van zijn nieuwe, nog hogere
missie in de mensheid: zijn missie als Meester Jezus.
Hans Stolp
Einde
